promotores: prof.dr. Willemijn Fock (UL) / prof.dr. L. Noordergraaf (UvA)
Het onderzoek kende twee invalshoeken: de economische – en sociaal-historische naast de kunsthistorische. De belangrijkste reden voor deze combinatie lag in het ontbreken van objecten, hier zijden en halfzijden weefsels, die met zekerheid aan Amsterdam of Haarlem toegeschreven konden worden. De weefsels konden dus niet, zoals dat bij keramiek of zilver wel kan, het uitgangspunt van onderzoek zijn. Om nu toch een beeld te krijgen van de Hollandse zijdeweverijen en de vervaardigde stoffen, is er gekeken naar de bedrijfsorganisa-tie, arbeidsverhoudingen en overheidsbemoeienis om op deze manier meer te weten te komen over de producenten – zijdelakenfabrikeurs en zijdewevers – en de producten.
Het belangrijkste resultaat van de gecombineerde aanpak is de toewijzing van een groep stoffen, indienne genaamd, aan Amsterdam. Het gaat hier om gebrocheerde zijden stoffen met een chinoiserie-patroon die een Chinese weefbreedte hebben van ca. 78 cm, een weefbreedte die in Frankrijk voor dergelijke stoffen streng verboden was. Het is deze afwijkende weefbreedte die het nu mogelijk maakt om dergelijke weefsels in museumcollecties te identificeren en in de toekomst nader te bestuderen. Daarnaast is naar voren gekomen dat de Hollandse zijdeweverijen vanaf het begin een rol gespeeld hebben binnen de Europese zijdenijverheid.
Voor haar promotieonderzoek heeft de auteur op 26 november 2009 de Dave Aronson-Prijs voor kunsthistorisch onderzoek ontvangen.















